Niet lekker in je vel


Wie ben ik?

Wie ben ik?

 

Auteur: Herman van Wijngaarden

 

René de Boer werkt met tieners. Vooral met tieners die niet lekker in hun vel zitten en bij wie het dan wel 's misgaat: bij henzelf, thuis, op school, op straat... hoe dan ook. Heftig? Ja en nee. Elke tiener zit wel 's niet lekker in z'n vel. Alleen, je moet daar wél mee leren omgaan. En vooral: proberen erover te praten.

 

Maar praten valt niet mee, weet René de Boer. Als tiener weet je vaak zélf niet eens precies hoe het met je gaat; waar zou je het dan over moeten hebben? Dat gezeur aan je hoofd... Toch komt het veel voor dat tieners zich rot voelen, vooral als ze alleen zijn. ‘Een goede vraag zou zijn', zo zegt René: "Wat denk je als je 's avonds alleen op je kamer zit? Voel je je dan op je gemak, of voel je je juist vreemd en eenzaam? En slaap je goed of juist slecht? Wat droom je?" Ik denk dat er veel tieners zijn die bij deze vragen moeten toegeven dat ze zich niet helemaal oké voelen.'

 

‘Het is heel normaal dat je je als tiener niet oké voelt, álle pubers hebben dat. Alleen, je moet die rotgevoelens niet voor jezelf houden. Praat er eens over, misschien wel met een goede vriend of vriendin. Of als er dingen zijn die zwaar aanvoelen, vertel dat dan eens aan een volwassene die je vertrouwt - je ouders of een clubleider bijvoorbeeld. Dan is alles wel niet zomaar opgelost, maar als je er open over kunt praten, wordt het wél makkelijker.'

 

 

Op de vuist

Bij Hugo lukt het praten niet zo. Tenminste... niet met woorden; met z'n handen ‘praat' hij veel beter. Als hij zich rot voelt, kan het zomaar gebeuren dat hij iemand die hem niet bevalt, een mep verkoopt. Hij ging zelfs een keer op de vuist met een leraar die hem naar z'n huiswerk vroeg.

 

‘Tja..., het is goed dat Hugo laat zien hoe hij zich voelt, maar deze manier is natuurlijk niet zo handig', reageert René de Boer. ‘Hugo moet leren om met zijn boosheid om te gaan, dat moet iedereen: je kunt in het leven nu eenmaal niet alles krijgen wat je wilt. Bovendien zou ik zeggen: leer vooral ook om te gaan met de energie en de kracht achter je boosheid. Misschien is een zelfverdedigingsport wel iets voor deze jongen.'

 

Anouk is 13, maar als je dat niet wist, zou je gerust geloven dat ze 15 of 16 was. Ze weet dat jongens haar ‘een stuk' vinden en ze doet hard haar best om dat zo te houden: strakke truitjes, leuke make-up... Maar als ze voor de spiegel staat, kan ze zich opeens ook heel onzeker voelen: stel je voor dat ze haar niet meer zien staan. Ze wordt toch niet te dik? Misschien toch maar wat afvallen...

 

René kent verschillende meisjes zoals Anouk. ‘Wat meisjes als Anouk proberen, is zichzelf waar te maken, ze proberen iemand te zijn. De bladen en de televisie spelen daarin een heel belangrijke rol: die laten zogenaamd zien wanneer je meetelt, hoe je er dan moet uitzien en hoe je je moet gedragen. Dat lijkt misschien wel leuk, maar het kan ook heel verwarrend zijn. Ik kom meisjes van 12 tegen die al half anorexia hebben...'

 

Tieners als Hugo en Anouk lopen vast. Soms is het heel duidelijk dat het verkeerd gaat, in andere gevallen is het veel meer verborgen en weet alleen de tiener ervan. Wanneer moet je als tiener aan de bel gaan trekken en om hulp vragen? René: ‘Als je geen trek meer hebt in eten, als je niet meer uit je bed kunt komen, als je voortdurend depri bent... dan zit je toch wel in de alarmfase. Maar het kan ook dat je juist zoveel eet en drinkt dat het een verslaving wordt, of dat je alleen maar met seks bezig bent. Dat zijn net zo goed signalen dat het niet goed met je gaat en dat het tijd wordt om hulp te zoeken. Dat kan bijvoorbeeld heel eenvoudig door een briefje of een email aan de dominee of de jeugdleider. Hoe dan ook, durf uit je besloten wereldje te stappen en te vragen: help mij!'

 

 

Redelijk sneu

‘Wat ik tieners graag wil leren', zegt René, ‘is dat je niet pas iemand bent door je truitjes, zoals Anouk, of door je spierballen, zoals Hugo. Natuurlijk, het is fijn als je spierballen hebt of als je er leuk uitziet, maar als je daarvan afhankelijk bent om mee te tellen, dan is dat toch redelijk sneu. Want daarmee verberg je je eigen onzekerheid. Het gaat erom dat je van binnen zeker bent: "Dit ben ik, ik ben oké". Die spierballen en dat leuke uiterlijk moeten er eigenlijk niet toe doen.'

 

‘Waarom niet? Omdat je als tiener bezig bent om volwassen te worden en om een plaats te zoeken in de maatschappij. Daarvoor heb je veel méér nodig dan spierballen. Je moet een beetje kunnen nadenken, je moet met andere mensen kunnen omgaan en vooral ook: je hebt een relatie met God nodig. Het is fijn als je dikke spierballen hebt, maar God is geïnteresseerd in je hart.'

 

‘Ik zeg tegen tieners altijd: maak iets moois van je leven en vergeet God niet te zoeken. Dat eerste is heel belangrijk en dat mag ook. Maar ik zeg er bewust bij: vergeet God niet te zoeken. Want om iets moois van je leven te maken, heb je Hem nodig! Zonder Hem stort je leven in. Nu lijkt het leven misschien nog ongecompliceerd, maar vroeg of laat krijgen we allemaal te maken met lijden. Alleen God heeft daar een antwoord op. Als jij lijdt, is Hij erbij!'

Delen maar!