Faalangst


Wie ben ik?

Wie ben ik?

 

Auteur: Willemieke Rodenhuis-Aalberts

 

Stel je voor: je zit in de trein op een krukje. Bij een station stopt de trein en jij denkt: ‘Laat ik eens netjes opstaan en voor de mensen de deur open doen.' Zo gezegd, zo gedaan. Dus jij gaat staan. Daarna wil je weer gaan zitten, maar het krukje klapt natuurlijk op. Daar heb jij effe geen erg in en je gaat zitten. Op de grond... Op zo'n moment schaam je je kapot. Wat een blunder!

Blunders! Wie heeft er nooit één gemaakt? We kennen het allemaal wel, van die situaties waarin je voor je gevoel afgaat als een gieter. Je krijgt een hoofd als een boei en je denkt dat iedereen naar je kijkt.

 

 

Boer met kiespijn

Vaak kun je om je blunders achteraf wel lachen. Je ligt er absoluut niet wakker van en je laat je er niet door van de wijs brengen. Integendeel: je bekijkt het van de zonnige kant. Je hebt tenminste weer ‘s wat beleefd en dus iets leuks te vertellen. Misschien heb je er zelfs wel iets van geleerd, zo van: ‘Dat doe ik de volgende keer dus mooi anders.'

 

Het wordt vervelender als je niet zo positief ingesteld bent. Je baalt gigantisch van wat er is gebeurd en kunt er de lol absoluut niet van inzien. Je vindt het alleen maar vreselijk als je weer 's een blunder maakt. Oké, je lacht misschien mee als een boer met kiespijn, maar ondertussen... Je hebt het idee dat dit soort dingen jou ‘altijd' overkomt en dat ‘iedereen' je dus een sukkel vindt.

 

Er zijn tieners die daardoor heel onzeker over zichzelf worden: ‘Stel je voor dat er wéér zoiets gebeurt...' Ze zouden bij wijze van spreken liever de hele dag op bed blijven liggen, want dan kan er tenminste niks verkeerd gaan. Ze zijn bang om áf te gaan.

 

Je snapt dat er dan wel wat aan de hand is. Als je bij jezelf merkt dat je steeds negatiever over jezelf gaat denken en moeite hebt (gekregen) om normaal te functioneren, dan moet er iets gebeuren!

 

Anders gaan denken

Vaak is het zo dat tieners die bang zijn om af te gaan, heel veel aan het denken zijn. Ze denken dat zij de enigen zijn die (zoveel) blunders maken. Ze denken dat anderen hen daarom heel dom vinden. Ze denken dat dat dus ook wel zo zal zijn: ik ben nu eenmaal een sukkel. Van lieverlee komen ze daardoor in een negatieve spiraal terecht en worden ze steeds onzekerder. Het gekke is dat daardoor juist gebeurt waarvoor ze zo bang zijn: ze gaan steeds meer fouten en blunders maken. Waardoor ze nog méér negatief gaan denken en nóg onzekerder worden.

 

Als jij daar last van hebt, is het dus hoog tijd om anders te leren denken! Dat kan door jezelf af te vragen of het klopt wat je denkt. Dus: ‘Is het zo dat ik altijd de enige ben die een fout maakt?' Als je goed om je heen kijkt, zul je zien dat je echt niet de enige bent die blundert. Het is veel beter om te denken: ‘Iedereen doet wel 's iets doms, dat betekent echt niet dat anderen je gelijk niet meer mogen of dat je niks waard bent.'


Het roer om

Dus het roer om: lang leve de blunders! Waarom zou je je er druk om maken dat je wel eens een flater slaat?

  • Je beleeft dan tenminste nog 's wat en hebt iets leuks te vertellen.
  • Van je fouten kun je leren: ‘Dat doe ik de volgende keer dus mooi anders!'
  • Iederéén maakt blunders! En al zou jij er méér maken dan anderen, wat dan nog?
  • Je bent sowieso waardevol, daar doen jouw blunders niks aan toe of af.


Tips bij faalangst

  • Het is altijd belangrijk dat je met iemand kunt praten over je faalangst. Want als je problemen deelt, wordt de aanpak een stuk eenvoudiger. Denk maar aan het spreekwoord: gedeelde smart is halve smart. Praat er bij voorkeur met een volwassene over.
  • Op veel scholen zijn er deskundige mensen die je verder kunnen helpen. Zoek hulp en blijf er niet mee rondlopen.
  • Dit artikel is gebaseerd op het boekje ‘Succes met faalangst' van Ard Nieuwenbroek en Ivo Mijland. Als je meer wilt lezen over ‘angst om af te gaan' is dit boekje echt een aanrader.

‘De eerste wiskundeles maakte ik al een blunder. De docent had iets op het bord geschreven en ik lette niet op. Toen vroeg hij aan mij: ‘Willem, hoe zeg je dat?' Toen zei ik: ‘Nou, gewoon Willem' (Willem, 15 jaar).

 

‘Ik had geprobeerd om mijn wenkbrauwen te epileren. Maar toen waren ze zo lelijk, dat ik ze maar heb afgeknipt' (Marleen, 15 jaar).

 

‘Ik ging voor het eerst op een brommer en moest schakelen. Ik dacht dat ik dat wel kon, maar ik vloog voluit onderuit. Ik kon niet remmen en voelde me echt shit. Het deed erg pijn en anderen maar lachen...' (Gerwim, 16 jaar).

 

 

Alsof de duivel ermee speelde...

Soms was het alsof de nare gedachten haar als roofdieren besprongen: ‘Wat ben je toch een sukkel!' Als ze zo'n gedachte probeerde weg te stoppen, was er meestal wel een andere stem in haar hoofd die haar de moed helemaal ontnam: ‘Vorige week ging je toch óók af? Dat gebeurt vandaag vast wéér!' Of: ‘Reken maar dat ze je allemaal zullen uitlachen!' Spaans benauwd kon ze het ervan krijgen. 't Was alsof de duivel ermee speelde...

 

En misschien was dat ook wel zo. Want die gedachten waren in ieder geval niet door God op haar afgestuurd. God wilde haar er juist van bevrijden! Ze weet nog hoe het haar opluchtte toen de clubleider met haar hierover sprak: ‘God wil niet dat die gedachten jou benauwen. Het zijn vijanden, die je met Hem mag wegsturen en verslaan. Hoe? Door naar Hem te vluchten en bij Hem te schuilen. Want God ziet jou wél zitten. Hij vindt jou belangrijk genoeg om jou te redden en te bewaren. Of je nou wél of niet afgaat voor mensen, voor Hem ga je nóóit af!'

 

Samen hadden ze Psalm 31:1-9 gelezen. Niet dat alles daarmee over was, maar 't voelde wel goed. En als haar ‘vijanden' weer kwamen, wist ze dat ze niet alléén was. Want God verloor haar nooit uit het oog!

Delen maar!