Danken


Hoe geloof ik?

Hoe geloof ik?

 

Auteur: Ds. D. Meijvogel

 

Je kent het zelf ook ongetwijfeld: een lastige periode in je leven. Dan ga je bidden. Toch? Het kan zijn dat je het ontzettend moeilijk hebt. Je zit niet lekker in je vel. Je hebt ruzie thuis, de sfeer is om te snijden. Op school wil het niet zo erg. Je leert je rot, maar je krijgt het niet in je hoofd. Hoe moet het nu verder? Dan bid je tot God om hulp en om kracht. Overigens: met hoeveel verwachting? Nou, meestal niet zo gek veel. Want tja, zo gaat het nou eenmaal in het leven. Je weet wel dat God er is. Je kent wel wat beloften uit de Bijbel. Maar om nou te zeggen: je merkt het echt in het dagelijks leven... Maar bidden kan geen kwaad. En wie weet.

 

Kijk, en daar ligt nou juist de oorzaak dat er vaak zo weinig gedankt wordt. Gewoon omdat er van tevoren al niet echt vanuit wordt gegaan dat God daadwerkelijk hoort. Heb jij dat niet dan? Soms komt er ineens zomaar uitkomst. Uit een onverwachte hoek. Of ineens blijk je toch een heel goed cijfer te hebben. Dat had je nou net nodig. Dan ben je natuurlijk ontzettend blij en je dankt God hartelijk. Maar meestal gaat het toch wat geleidelijker. Ineens kom je erachter: ‘Hé, het gaat eigenlijk best wel weer goed met me. Dank U Heer!' Maar hoe diep zit die dankbaarheid dan?

 

Ik heb eens geprobeerd te tellen hoe vaak ik voor een bepaalde situatie gebeden heb om kracht of uitkomst. En vervolgens geteld hoe vaak ik daarvoor gedankt heb. Opmerkelijk: dat staat als 10 tegen 1! Erg hè? Of logisch? Jezus vraagt: waar zijn de andere negen?

 

Nood

Wanneer Jezus een dorpje binnen wil gaan, komen er tien mensen op Hem af. Ze roepen: ‘Onrein!' Het is een afschuwelijk gezicht. Alle tien lijden ze aan dezelfde ziekte. Huidvraat. Lepra. Melaats. Een huid vol met vieze stinkende zweren. Nagels en tanden die uitvallen. Vlees dat aan het verrotten is. Eigenlijk zijn het levende lijken. En het is besmettelijk, dus uit de buurt blijven!

 

Het wonderlijke is dat het negen Joden zijn en één Samaritaan. Normaal gesproken hadden die niks met elkaar. Joden en Samaritanen konden elkaar niet luchten of zien. Maar hier is geen sprake meer van een normale situatie. Ze zitten stuk voor stuk in hetzelfde schuitje, met dezelfde ziekte. Misschien voel je dat zelf ook wel aan. Als je samen iets ergs meemaakt, vergeet je ineens alle onderlinge verschillen. Gezamenlijk deel je je leed. Nood bindt samen.

 

Help ons alstublieft!

Ze komen op Jezus af, blijven op een afstand staan en roepen om hulp. Hoe weten ze dat ze bij Jezus moeten zijn? Hebben ze Hem gezocht? Is er soms familie geweest die hen over Jezus heeft verteld? Dat weten we niet. Ze zijn in ieder geval met z'n tienen opgestaan en op zoek gegaan naar Jezus. Ze kennen Zijn reputatie. En nu hebben ze Hem gevonden. Al hun hoop is op Hem gevestigd. ‘We hebben gehoord van Uw reddend werk. Uw wonderen en tekenen. Help ons alstublieft! '

 

Alle tien maken ze de keus om hun hulp van Hem te verwachten. Een wanhoopskeus? Het zij zo. Maar wel een keus. Ze hadden ook kunnen blijven zitten waar ze zaten en denken: ‘Ach, wat zou Hij nou kunnen doen... Het is toch onmogelijk om ons te helpen?'

 

Nou jij... Wat hoop jij? Wat vraag jij van Hem? Wat kies jij? Wat zou Jezus nou voor jou kunnen betekenen? En omgedraaid: wat zou jij voor Jezus kunnen betekenen?

 

Gehoorzaam

Opmerkelijk wat er dan gebeurt. Jezus komt niet dichter bij. Hij zegt niet: ‘Ik wil, wordt genezen.' Hij legt hun niet de handen op. Nee, Hij zegt: ‘Ga maar naar de priester toe en laat je keuren.' Dat was het voorschrift vanuit de Bijbel. Als iemand genezen was, moest de priester dat vaststellen. Die gaf de verklaring van genezing. Maar dit is eigenlijk absurd. Want ze zijn nog helemaal niet genezen. Ze zitten nog onder de vlekken en bulten. Ze zien er nog steeds afzichtelijk uit. Je zou zeggen: wat een onzin. Wat gemeen om iemand zo weg te sturen.

 

Wat zouden die tien mannen gedacht hebben? Dankbaarheid? Ik kan me niet voorstellen. Ik zou geroepen hebben: ‘Maar kunt U me dan niet eerst genezen? Ik kan toch zo niet gaan?' Maar wat ze ook gedacht hebben, ze gaan. Alle tien. Op het woord van Jezus. Gehoorzaam! En daar schort het nogal eens aan. Gehoorzamen, ook als je het zelf niet ziet of begrijpt. Wanneer Jezus zegt: ‘Vertrouw nou op Mij. Leg het in Mijn handen.' Ja maar... Je weet wel.


Dankbaarheid

Onder weg gebeurt het wonder. Ineens komt er iemand achter: ‘Hé, moet je zien. Mijn vingers, mijn nagels; mijn jeuk is weg. Ik kan me voorstellen dat ze zich de kleren van het lijf hebben gescheurd om hun lichaam te bekijken. Wat is dan de dankbaarheid groot. Wat zijn ze ontzettend blij! De mooiste dag van hun leven!

  • ‘Rennen jongens! Op naar de priester!' 
  • ‘Nee', zegt die ene. ‘Laten we teruggaan om Jezus te bedanken.' 
  • ‘Wat? Dat gaat tegen de wet in! Tegen Zijn bevel in. We moeten naar de priester. Pas dan is het zeker.' 
  • ‘Maar stel je voor dat we Hem dan niet meer kunnen vinden.' 
  • ‘Geeft niet, je bent toch genezen?' 
  • ‘Nee, ik wil Hem eerst nog eens zien. Hij heeft het gedaan. Ik wil weten waarom. Ik wil Hem aanbidden, eren, prijzen. Hij is belangrijker dan de verklaring van de priester. Dat kan later ook. Eerst danken.' 
  • ‘Nou, je gaat maar.' 

En die ene is een Samaritaan... Ze zijn nog niet eens genezen verklaard, of de scheiding is al weer voltrokken.

 

Way of life

Jezus weet het natuurlijk wel. Hij begrijpt het ook. Maar legt er wel de vinger bij. Hoe zit het met de dankbaarheid? Tien gebeden, één bedankje? Tegen de Samaritaan zegt Jezus: ‘Niet alleen je lichaam, maar ook je ziel is gered. Jij hebt het begrepen!'

 

En nou jij weer. Wat doe jij hiermee? Misschien denk je wel: hoe vaak moet ik dan danken? Weet je, het gaat niet om het afstrepen van aantal keren. Ook niet om de vraag: is dit nu dankbaar genoeg? Het gaat veel meer om je ‘way of life', je manier van leven. Leef je vanuit de dankbaarheid dat Jezus je gered heeft? Dat Hij je leven leidt in alle dingen? Dat is leven vanuit de liefdesrelatie. Niet alleen maar danken als je blij bent. Ook in moeilijke momenten toch weten: Hij is bij mij en helpt me er door heen. Gelukkig maar.

 

‘Dank U Heere, dat U me niet loslaat. Ook al voel ik het nu even anders.'

 

Dat heeft nu alles te maken met jouw keuze. Hij vraagt niet om Hem af en toe te danken. Hij vraagt alles. Waar is de rest van je leven? Kies maar.

Delen maar!