Ben ik bekeerd? - Deel 2


Hoe geloof ik?

Hoe geloof ik?

 

auteur: ds. H. Harkema

 

Wat krijgen we nou!? Is de vraag ‘Ben ik bekeerd?’ geen goede vraag? En waren Manasse en Paulus dan niet bekeerd? Eerlijk gezegd hadden we bij het artikel van ds. Harkema dat hiervóór staat, wel een paar vragen. Verwacht je een artikel over de vraag ‘Ben ik bekeerd?’, schrijft hij gewoon dat je die vraag helemaal niet moet stellen...! Gelukkig hadden we al een interview met ds. Harkema gepland. Konden we nog vragen hoe dat nu zit.

 

Tijdens het gesprek met ds. Harkema gaat het ons langzamerhand dagen. Het klinkt zo goed, zo vroom en serieus, om bezig te zijn met de vraag of je bekeerd bent, maar is dat wel terecht? Want je weet toch best wanneer iemand bekeerd is? Iemand is bekeerd als hij gelooft in de Heere Jezus: als hij gelooft dat hijzelf een zondaar is en dat de Heere Jezus juist voor zondaren gekomen is. De enige vraag die je jezelf moet stellen is dus: Geloof ik dat?

 

‘Het kan niet zo zijn’, zegt ds. Harkema, dat iemand zegt: ‘Ik geloof wel, maar ik weet niet of ik een kind van God ben.’ Dat is een tegenspraak in zichzelf. Als je je dan gaat afvragen of je wel bekeerd bent, is het gevaar groot dat dat afleidt van de hoofdvraag. Want meestal zijn mensen dan niet bezig met het geloof, maar met dingen daarnaast. Het gaat meer om wat er met hén gebeurt en wat er in hén omgaat, dan om wat God heeft gedaan.’ 

 

Kompasnaald

Ds. Harkema vindt het belangrijk dat we bekering in de goede verhouding zien: ‘Veel mensen denken bij ‘bekering’ alleen aan iets wat op een bepaald moment gebeurt en wat dan gepaard moet gaan met bijzondere dingen die je voelt. De zekerheid van de bekering zoeken ze dan in eigen verhalen en eigen gevoelens. Terwijl je bijbels gezien de zekerheid alleen vindt door het geloof!’

 

‘Daarbij is het zo dat God de bekering meestal niet opeens, in één keer bewerkt, maar procesmatig. Misschien kan ik dat duidelijk maken met het volgende beeld. Je kunt een mens die tot bekering komt, vergelijken met een kompasnaald. Een kompasnaald richt zich altijd, welke schok hij ook heeft gehad, op het noorden. Zoiets geldt voor een kind van God ook. Die is wel eens uit zijn koers, maar omdat er magnetische kracht is van de Heilige Geest, wordt hij dan toch weer in de goede richting gezet.’

 

‘Nu kun je een kompasnaald op twee manieren magnetisch maken. Je kunt er een elektrische stroom doorsturen, met zoveel kracht dat hij in één keer ‘gericht’ is. Maar je kunt ook een magneet nemen en daarmee alsmaar langs de naald wrijven: dan wordt die óók magnetisch. Hoe zit het nu met bekering? Dat kán plotseling gebeuren, zoals bij Paulus - denk maar aan die elektrische stroom. Maar meestal gebeurt het doordat mensen met andere ‘magneten’ in aanraking komen en zo steeds meer op de Heere gericht worden.’

 

‘Kijk. ik denk dat we zó met bekering moeten omgaan. We moeten vertrouwen dat het iets is wat God door de Heilige Geest in je leven doet en zal doen. Wat we ons dan moeten afvragen, is niet zozeer ‘Ben ik bekeerd’?’ (‘Is er bij mij Iets bijzonders gebeurd’?’), maar: ‘Heeft God in mijn leven de plaats die Hem toekomt? Ben ik door geloof op Hem gericht? Leef ik in de richting van het Koninkrijk of in de richting van ‘Ik bepaal zelf wat goed en  kwaad is’?’ 

 

Misverstand

Ds. Harkema: ‘Ik vraag dus niet aan jongeren of ze bekeerd zijn. Ik vraag wél: ‘Geloof je? Geloof je persóónlijk’?’ En dan wordt er aan jongeren in deze tijd heel hard getrokken: ‘Is het wel waar wat er in de Bijbel staat’? Bestaat God wel’?’ Daarom zou ik ze willen toeroepen: ‘Jongeren, houdt alsjeblieft die Bijbel en wat God daarin zegt, voor waar! Beaam wat de Heere belooft’. Het is op zich al een wonder als ze dat doen. En dan mogen ze erop vertrouwen dat de Heere in hun hart werkt en dat ze een kind van God zijn.’

 

Maar ... is dat niet wat te gemakkelijk, wat oppervlakkig? Zo van: ‘Geloof maar en dan is het goed’? Nee, vindt ds. Harkema beslist: ‘Dan is er een misverstand over dat ‘Geloof maar’. Want geloven, dat is niet niks! Dat is je volkomen overgeven en zelfs je eigen inzichten eraan geven, omdat wat de Heere zegt veel belangrijker is. Als jongeren in deze tijd dat kunnen en mogen ervaren, dat hun laatste houvast in God ligt, dan mag niemand zeggen: ‘Dat is oppervlakkig’.

 

Ds. Harkema wil aan de ene kant heel radicaal zijn: ‘Ik heb onlangs gepreekt over het ‘beest’ en het Lam. Dan gaat het om de vraag: ‘Voor wie kniel je’? Wie is je heer, het Lam of dat afschuwelijke beest? Het is van tweeën één, bekeerd of onbekeerd!’ Maar, aan de andere kant, als mensen zich dan steeds blijven afvragen of ze wel ‘echt bekeerd’ zijn, vindt de predikant dat toch niet gezond: ‘Er zijn mensen bij wie je dan moet zeggen: ‘Maak het jezelf toch niet zo moeilijk’.’

 

 

‘Is het wel echt?’

Je kunt met de vraag van ‘Ben ik bekeerd?’ ook bezig zijn vanuit een stuk hoogmoed, vindt ds. Harkema. ‘Dan willen mensen zichzelf iets geven van: ‘Ik ben toch wel beter bekeerd dan een ander, want ik neem het veel ernstiger’. Maar de Heere Jezus heeft gezegd: ‘Wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden’. Zo was het ook bij de tollenaar. Die kwam echt niet in de tempel met de vraag: ‘Is het bij mij allemaal wel echt?’. Hij komt naar de tempel, gewoon omdat hij God nodig heeft. Hij stort zijn hart voor God uit en kan alleen maar stamelen: ‘Wees mij, zondaar, genadig’. En dan zegt de Heere: ‘Hij ging gerechtvaardigd naar huis…!’’

 

‘Dáárom heb ik in mijn artikel de vraag gesteld of het wel goed is om zó met die vraag bezig te zijn. Want waar het om gaat, is: Wie is de Heere voor je? Is het evangelie je enige houvast of wil je toch nog iets in jezelf hebben? Iets dat een ander niet heeft, niet heeft beleefd, en waardoor je voor jouw idee toch iets beter bent?’

 

 

Twijfelen

Ds. Harkema weet best dat een kind van van God soms aan zijn kind-zijn kan gaan twijfelen: ‘Als je bijvoorbeeld ziet dat je telkens opnieuw ”“ en misschien zelfs steeds heviger ”“ dingen doet waarvan je weet dat ze niet mogen. Natuurlijk, dan moet je je afvragen of je wel ernstig neemt wat de Heere zegt. Maar dan mag je toch nooit eindigen met: ‘Zie je wel, het is niet echt bij mij’. Want als je dat zou zeggen is er maar één Weg. en dat is: Opnieuw naar God. Dan moet je als een ‘onbekeerde’ maar opnieuw aan de Heere vragen of Hij de leiding in jouw leven wil nemen.’

 

‘En vooral: laat je ook niet door ‘anderen ontnemen wat de Heere je heeft gegeven. Ik weet van een meisje dat belijdenis had gedaan en toen ook graag aan het Heilig Avondmaal wilde; ze wilde de Heere gehoorzamen in Zijn bevel: ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis’. Maar toen het zover was, stond ze op zondagochtend huilend bij me op de stoep omdat haar ouders gezegd hadden: ‘Dat mag jij niet’. Toen heb ik gezegd: Dat kan niemand je afnemen. Want er staat: ‘Je moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen’. En al zou de hele gemeente zeggen: ‘Kan dat wel’?’, dat is een zaak tussen jou en de Heere God. Dat houdt niemand tegen!’

Delen maar!