Ben ik bekeerd? - Deel 1


Hoe geloof ik?

Hoe geloof ik?

 

auteur: ds. H. Harkema

 

‘Ben ik bekeerd?’ Die vraag kan bij je boven komen, als je een ander hoort vertellen wat de Heere God in zijn of haar leven heeft gedaan. Bijvoorbeeld als een vriend of vriendin die helemaal niet bij het geloof is opgevoed, gaat uitleggen hoe de Heere Jezus Christus in zijn of haar hart is komen wonen. Sommige mensen kunnen immers uit eigen ervaring iets laten horen van de grote verandering die in hun leven is gekomen.

 

Prostituees werden leidsters van kinderkoren, en drugsverslaafden onderwijzers op zondagsschool. Heel vaak hoor je ze dan zeggen: ‘Toen en toen ben ik bekeerd!’

 

Niet in de goot

In mijn leven is dat allemaal heel anders gegaan. Veel rustiger en minder spectaculair. Ik heb nooit echt in de goot gelegen en ik ben voor veel grove zonden bewaard gebleven. Ik heb van kindsbeen af van mijn ouders van de Heere Jezus gehoord. Ik ben gedoopt in de naam van de drieënige God, voordat ik wist dat ik zelf een naam had. Ik heb op school een meester gehad die bij de zending had gewerkt, en die door zijn vertelling van de Bijbelsche geschiedenis een enorme invloed op mijn leven heeft gehad. Zo heb ik de Heere Jezus leren kennen. En door naar de kerk te gaan, en persoonlijk in mijn Bijbel te lezen en te bidden, ben ik steeds meer van Hem gaan houden. Zo zelfs dat ik al vroeg in mijn leven wist wat ik wilde worden: predikant, om anderen het Evangelie te mogen verkondigen.

 

Toch denk ik wel eens: ‘Kon je maar een mooier verhaal over jezelf vertellen dan dat je erbij bent opgevoed. Dat zou voor jezelf, en misschien ook wel voor anderen, fijn zijn. Dan hoef je er niet soms aan te twijfelen of het wel allemaal echt is en of je geloof niet iets is wat je jezelf aanpraat.’

 

 

Bekeerd zijn

Maar is dat wel zo? Kun je ooit zeggen: ‘Ik ben bekeerd’? In het Oude Testament staat een indrukwekkend verslag van de grote verandering die de Heere teweegbrengt in het leven van Manasse, de koning in Jeruzalem.

 

Hij is als kind bij het geloof in lsraëls God grootgebracht. Zijn vader is de zeer godvrezende koning Hizkia. Manasse breekt met zijn opvoeding en doet ‘wat kwaad was in de ogen des Heeren’ (2 Kron. 33). Als hij letterlijk in het nauw zit, gaat hij tot God roepen. Die verhoort hem en zorgt voor zijn terugkeer naar de Heilige stad. Komt Manasse dan terug in Juda en roept hij zo hard hij kan: ‘Mensen, ik ben bekeerd!’? Nee, er staat dan in de Bijbel alleen maar: ‘Toen erkende Manasse dat de HEERE God is’ (2 Kron. 33: 13b).

 

Wat mij hieruit duidelijk wordt, is dat mensen die bekeerd worden, kennelijk meer over God weten dan over zichzelf. Voor hen is het veel belangrijker dat de HEERE erkend wordt dan dat zij zelf erkend zullen worden als ‘veranderde mensen’.

 

 

Hoe bescheiden

Diezelfde les ligt ook opgesloten in de gelijkenis van de ‘verloren zoon’. Die gelijkenis konden wij trouwens beter die van de liefdevolle Vader’ noemen. De Heere Jezus schildert in die gelijkenis de weg van de bekering als de weg van inkeer, omkeer en terugkeer. De jongen komt immers tot zichzelf; vervolgens breekt hij met zijn oude leven en gaat hij terug naar zijn vader. Met een ‘Vader, ik heb gezondigd!’ werpt hij zich in de uitgestoken handen van die liefdevolle vader.

 

Dat is bekering: als een arme zondaar je aan Gods genade uitleveren. Nu hoor ik die bekeerde zoon in de gelijkenis niet zeggen: ‘Ik ben bekeerd. ik hen weer levend geworden!’ Nee. de Váder zegt: ‘Deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden’ (Luk. 15:32). Hoe bescheiden is die zoon in het vervolg van de gelijkenis. Ik hoor hem zelfs geen woord meer spreken! Hij is kennelijk niet druk met zichzelf geweest. Hij heeft maar één gedachte gehad: ‘Wat een heerlijke Vader toch, ik mag weer zijn kind zijn’.

Bekeerde mensen zijn er zó verwonderd over dat God in hun leven kwam, dat zij kunnen en willen terugtreden. En net als Johannes de Doper zeggen zij: ‘Hij moet wassen, en ik minder worden (Joh. 3:30).

 

 

Paulus-bekering

Als er íemand een krachtdadige verandering in zijn leven heeft meegemaakt, dan is dat Paulus wel. Een vervolger gaat op weg naar Damascus, maar de wonderlijke ontmoeting met de levende Christus maakt van deze hater een vriend. Radicaal verandert hij van contra- in pro-Jezus Christus. Zelden heeft de Heilige Geest zo’n grote omzetting in een mensenleven teweeggebracht.

 

Maar hoor ik de veranderde Saulus van Tarsen daarna zeggen: ‘Ik ben bekeerd? Nee, dat is heel wonderlijk in Handelingen 9. Als God aan Ananias, de christen uit Damascus die door de Heere naar Saulus gestuurd wordt, vertelt dat er in het leven van de gevreesde vervolger een verandering gekomen is, dan zegt zelfs God niet: ‘Saulus is bekeerd’. Nee, dan zegt God, en dat moet genoeg zijn: ‘Zie, hij bidt!’ Saulus’ bekering blijkt uit zijn gebed dat hij nu ootmoedig tot God in Christus doet.

 

Tweemaal in Handelingen spreekt Paulus over wat er op de weg naar Damascus is gebeurd. In Handelingen 22 spreekt hij erover met de joden en in hoofdstuk 26 met koning Agrippa. In beide gevallen preekt hij niet, maar doet hij verantwoording van zijn doen en laten en hij schaamt zich daarbij niet te vermelden hoe de Heere in zijn leven gekomen is. Maar in de prediking is zijn devies altijd geweest: ‘Wïj prediken niet onszelf, maar Christus Jezus de Heere...‘ Wie met zijn eigen bekering te koop loopt, mag zich wel eens afvragen: ‘Is dit wel echt?’ God doet immers alles, ook het veranderen van mensen, tot eer van Zijn eigen naam.

 

 

Iedere dag

Als je aan de apostel zou kunnen vragen: ‘Bent u bekeerd?’, dan zou hij volgens mij het antwoord geven dat hij schrijft in de brief aan de Filippensen: ‘Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben: maar ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben’ (Fil. 3:12). Hij voelt zich gegrepen, dat is in de kraag gepakt, gearresteerd door Jezus Christus. Dat gebeurde toen op de weg naar Damascus. Maar dat betekent voor hem geen eindpunt, maar juist het begin van de weg van de bekering. Hij moet zich iedere dag weer bij Christus vervoegen om iedere dag weer opnieuw bekeerd te worden. Dat is: iedere dag veer opnieuw in de rechte koers gezet te worden.

 

Daarom moeten wij ook niet vragen: ‘Ben ik bekeerd?’ Maar laten wij ons heel persoonlijk onderzoeken op de vraag of ons leven de trekken van de bekering vertoond. Keer ik mij iedere dag weer opnieuw naar de Heere?

 

 

Volmaakte mensen?

Wanneer is dat dan? Zijn er kenmerken van bekering? Jazeker! Denk je van jezelf een goede christen te zijn? Bekeer je dan, want ik ben een arme zondaar, die niet waard ben een kind van God genaamd te worden. Denk je dat je jezelf kunt redden? Bekeer je dan, want alleen het bloed van de Heere Jezus reinigt ons van alle zonden.

 

‘Ja’, zeg je misschien, ‘maar bekeerde mensen zijn toch haast volmaakt, gaan iedere zondag tweemaal naar de kerk en doen door-de-weeks nooit iets verkeerds’. Zeker, als God in je leven komt, dan ga je van Hem en van Zijn geboden houden. Maar je mag nooit denken dat je daarmee iets wordt. Bekeerde mensen komen erachter: het goede dat ik wil, wordt door mij telkens niet gedaan. En het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch weer.

 

Onze belijdenis zegt het heel erg duidelijk: Als ik Gods beloften geloof, en de Heilige Geest door het Woord in mijn hart laat werken, dan groeit er in mij de overtuiging: ‘Zoals ik ben, met mijn fouten en gebreken, mag ik door genade het eigendom van de Heere Jezus zijn. En Hij leert mij iedere dag weer opnieuw Hem nodig hebben en bidden: ‘Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God’ (Jer. 31:18).

Delen maar!