Genade

Prestatie of genade?

Vooraf - Wat denk je: zou die oudste jongen uit de bekende gelijkenis over de verloren zoon uiteindelijk toch naar binnen zijn gegaan? Of zou die...?

- Lees de langste gelijkenis die we van Jezus kennen eerst nog eens: Lukas 15:11-32.
- Jezus tekent drie personen voor ons uit. Wat valt je bij elk van hen vooral op?
- In welke van de twee zonen herken jij je het meest? En aan wie denk je dan bij 'je broer'?
- Lees ook Lukas 15:1-2 als sleutel.

Daar staan ze: vader en zoon. Buiten, op het erf van de boerderij. Hun gezichten spreken boekdelen. Je kunt buiten goed horen dat er binnen feest wordt gevierd. Niet te zuinig: wat een blijdschap. Nou, da's dan ook net het punt van die oudste zoon. Hij vroeg zich verbaasd af wat er te vieren viel, toen hij van zijn werk op het land de boerderij naderde en de eerste feestklanken opving. Een knecht wist het hem precies te vertellen: 'Je broer... en je vader...' Toen werd hij me toch boos. 'Binnen zullen ze mij niet zien!'

Maar dan moet je zijn vader hebben. Weet je wat die doet? Die gaat zelf naar buiten, want hij wil zijn beide jongens binnen hebben! Ook de oudste. Wat een vader! Over genade gesproken...

Naar de jongste rennend
Hoe royaal die vader is, viel trouwens ook al op bij de jongste zoon, toen die terugkwam uit een ver land. Hij was ver heen, heengegaan. Op een gegeven moment ontdekt hij dat. Al het gegeven goed verkwist hij, hij leeft losbandig (letterlijk: heilloos). Nu zit hij bij de onreine varkens. Hij komt niet alleen tot inkeer, ook tot omkeer en terugkeer. Hij zegt niet: 'Eigenlijk zou ik naar huis moeten gaan...', maar hij staat op na 'geoefend' te hebben wat hij tegen zijn vader moet zeggen.
En moet je dan die vader zien als hij zijn zoon in de verte ziet aankomen! Het lopen van de zoon valt in het niet bij het rennen van de vader. Om de vergelijking met Jezus en zo ook met God door te trekken: Hij ziet je al komen, Hij staat nog steeds naar je te kijken, ook als jij ver heen bent! God verlangt ernaar om genadig te zijn. Elke dag. Ook nu jij dit leest.
Die vader gooit op z'n Hollands gezegd zijn klompen uit en rent op z'n sokken verder, zoals je rent om de trein te halen. Zo staat het er letterlijk: hardlopen. En dat is vreemd voor zo'n oude vader, met die lange oosterse kleding. Wat zullen de mensen wel niet denken?

Wat denken en wat doen?
Als iemand zich trouwens kon afvragen wat anderen van hem zouden denken, dan was het de jongste zoon wel. Hoe zou zijn broer reageren? Om nog maar niet te spreken over de mensen uit zijn geboortedorp. Met een jood die zijn familiebezit aan de heidenen verkwanselde, wilde men niets meer te maken hebben. Zo iemand werd afgeschreven. Een nieuwe start, een wedergeboorte kon hij dus wel vergeten. Zou zijn vader anders reageren? Wat heeft hij hem op het hart getrapt door hem uit zijn leven te zetten, de relatie te verbreken. Hij wordt er klein van. Het enige wat overblijft, is dagloner worden, in dienst komen van z'n vader. En achter die nederigheid zit misschien nog wel de gedachte: wat kan ik doen om voor herstel te zorgen? Want terugbetalen - dat zit ons in het bloed. We willen compenseren en ondertussen realiseren we ons niet dat we het daarmee alleen nog maar erger maken. Maar wie komt daar aanrennen, z'n gewaad omhoogtillend? En wie omhelst en zoent hem, voor hij uitgesproken is? Z'n vader! Vol innerlijke ontferming. Hij laat hem vervolgens aankleden als een koninklijk kind. Er is alle reden voor. Een feestmaal om de verzoening, de thuiskomst te vieren, wordt klaargemaakt. Voor de jongen is maar één ding belangrijk: ontvangen. Zo wordt hij een wedergeboren mens. Wat een genade, wat een vader! 'En zij begonnen vrolijk te zijn!'

Kom toch binnen
Daar staan ze, die twee daar buiten. Vader dringt erop aan om toch naar binnen te komen en het feest van de thuiskomst van z'n broer mee te vieren. 'Kom nou joh!' Maar dan komt het hoge woord van de oudste zoon er bits en bitter uit: 'Moet u kijken, ik dien u nu al zoveel jaar en ik heb nooit uw gebod overtreden, maar u hebt mij nooit ook maar een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn; maar als die zoon van u gekomen is, die uw bezit er bij hoeren doorheen gejaagd heeft, dan hebt u voor hem het beste kalf geslacht.' Nee, daar kan hij niet bij. Dat wil er bij hem niet in. Die broer van 'm, die moet zich eerst maar eens bewijzen. Daarop zegt zijn vader niet meer dan: 'Kind, jij bent elke dag bij me en alles wat van mij is, is van jou!' Ook niet minder dan dat. Dit is alles. Dit is genoeg. Dit is genade. Wat een aanbod.
Zou het hart van de jongen nu breken en nieuw worden, net als dat van z'n broer? Ja, dat heeft hij ook nodig, net als jij en ik. Een kinderhart: om vader niet langer als werkgever te zien en jezelf niet langer als werknemer. Om de taal van liefde en genade te gaan spreken in plaats van dienen en verdienen. Om je niet langer te ergeren aan maar je te verblijden over de thuiskomst van je broer.

Dichtbij en toch veraf
Zou Jezus' boodschap landen? De spits ligt namelijk bij de heftig mopperende Farizeeën en Schriftgeleerden. Die zeggen: 'Moet je die Jezus zien...' Lijken ze niet op ons soort mensen die in de kerk zijn geboren en gebleven? Wij kunnen ook mopperen. Neem bijvoorbeeld opmerkingen op catechisatie over die ene moordenaar aan het kruis die op het laatste moment tot bekering komt. Of over mensen die zo vanuit de goot tot God komen en gered worden. 'Gaat dat zomaar?' Je vergelijkt je met anderen en dan sta je aan de goeie kant. Je zit altijd trouw in de kerk, leest je bijbel, bidt elke dag, je doet nooit een vlieg kwaad, je leeft netjes, doet geen gekke dingen - je zou diep in je hart ook weleens een feestje willen... Dat de Heere God in het teken en zegel van de doop Zijn Vaderhand genadig naar je uitsteekt, zegt je niet zoveel. Het maakt je in elk geval niet vrolijk en blij.
Je bent kerkelijk en leeft volgens de regels. Je doet en laat allerlei dingen om in een goed daglicht bij God te komen. Je zegt te moeten geloven, anders kom je niet in de hemel. Lijkt het er niet vaak op dat we liever prestaties willen leveren dan van genade te leven? We zijn dan bezig om onszelf aannemelijk te maken bij God. Zelfrechtvaardiging heet dat, maar je schiet er niks mee op. Dat leer ik ook uit de brieven van Paulus.

En jij dan?
'Kind', zegt de Vader dan toch tegen me. Hij komt er zelfs voor naar buiten. 'Je bent altijd bij Mij en al het Mijne is het jouwe. Je weet niet half hoe rijk je bent.' De Geest doordringt me ervan: kind van God en ook nog een erfgenaam. Het kan niet op. Wat een Vader! Zeg dat wel: 'Vader, vol van vrees en schaamte, wat heb ik U tekortgedaan door zo klein van U te denken. Ik ga nu m'n broer begrijpen die zei: 'Vader, ik heb gezondigd....; ik ben het niet waard....' Maar voor ik uitgesproken ben, zijn we al binnen. ‘Die broer van me was... en ik ook...!'
Wat denk je: zou die oudste jongen uiteindelijk toch naar binnen zijn gegaan? Of zou die buiten gebleven zijn? Wie buiten blijft, sluit zichzelf uit. Dat Jezus de afloop niet vertelt, maakt de uitnodiging indringend. Na de thuiskomst van de jongste zoon staat er: 'En zij begonnen vrolijk te zijn.' Alsof Jezus zeggen wil: er wacht nog iets, het wachten is nog op de oudste. Daar heeft Hij, de vader in de gelijkenis, net als Zijn hemelse Vader, echt alles voor over. Alles! Wat denk je: zou die...? En jij dan?

Schrijver: Ds. H. Markus
Bron: Cruciaal jaargang 4, nummer 8

 

|