Dit is niet een verhaal van iemand die precies weet wat bidden is. In de tegenwoordigheid van God komen en zomaar met Hem spreken, is een diep mysterie! Je kent vast de ups en downs. Momenten dat het gebed vanzelf opwelt en perioden dat je bijna niet kunt bidden. Jezus leert Zijn discipelen - en ook ons - wat echt bidden is.
Lees: Mattheüs 6:5-9(13)
5. En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij door de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
6. Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
7. En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.
8. Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
9. Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...
Wat de discipelen wel begrepen
De discipelen waren joden. Ze wisten wel wat bidden was: je hart opheffen tot de Eeuwige die groot en onbegrijpelijk is. Voor elke gelovige jood was duidelijk: bidden is beseffen wie God is en ook wie jezelf bent. Hij is de hemelse Pottenbakker en wij zijn het klei. Hij is de Onaantastbare en de Heilige; wij zijn schuldige mensen, zondaars. Hij is de Eeuwige; wij zijn vergankelijke mensen.
De discipelen zagen veel mensen bidden, in de synagoge en op straathoeken. Voor ons moeilijk voor te stellen, maar niet als je in Jeruzalem bij de klaagmuur staat. Daar overkwam het mij dat er plotseling een jood naar me toekwam en voor mij begon te bidden. Ik was erdoor verrast, maar toen hij na zijn gebed om een bijdrage vroeg, vond ik het niet leuk meer. Hij was een soort ‘publieke bidder'.
Wat ze niet begrepen
Jezus zegt: als u bidt, zoek uw Vader in het verborgen. Dat was heel nieuw. Bijna nergens in het Oude Testament wordt God als Vader aangeroepen. Kijk maar eens in de Psalmen. De Farizeeën zeiden het nooit. Wat dat betreft staat het jodendom best wel dicht bij de islam. Allah wordt ook wel de barmhartige genoemd en de ontfermer, maar nooit zegt een moslim ‘Vader'. Het is best goed te begrijpen. Als je God je Vader noemt, zeg je tegelijk: ik ben Zijn kind. Dat doe je niet zomaar even!
De Vader zoeken in het verborgen
Jezus leert Zijn discipelen bidden. Indruk maken met veel en mooie woorden, dat is typerend voor heidenen die als het ware God proberen ‘over te halen'. Jezus zegt: zinloos, je Vader weet al lang wat je nodig hebt, nog vóór je begint. Daarom: zoek een stille plek waar je alleen kunt zijn met Hem. De ‘binnenkamer': een voorraadkast midden in huis, waar bijna niemand kwam. En zeg dan: ‘Onze Vader in de hemel'.
Vader zeggen heeft Jezus dus opgedragen aan Zijn leerlingen. Maar Hij heeft het ook vóórgedaan. Jezus kon nooit buiten de Vader. Vaak ging Hij ‘s nachts alleen bidden. Vooral in het evangelie van Johannes wordt ons verteld over het mysterie tussen Vader en Zoon, de band van liefde tussen beiden. Voor ons is er geen weg meer terug naar de Vader; wij hebben de deur dichtgeslagen naar onze Schepper. Ontstellende werkelijkheid. Maar Jezus brengt Zijn leerlingen in de intimiteit van de Vader en de Zoon. Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden (Joh. 1:12). Alleen door het geloof krijgen we deel aan Jezus en door Hem worden we tot de Vader gebracht, in een nieuwe verhouding tot God, als aangenomen kinderen.
Een gesprek tussen Vader en kind
Bidden is dus heel wat anders dan God onze verlanglijst voorhouden. Het is: als een kind bij de Vader zijn, zoeken wat Hij wil, Hem eren. Kun je dan niets meer vragen? Zeker wel. De Vader wil de vragen, de behoefte en het verlangen van Zijn kind graag horen. Maar Hij weet alles al. Je hoeft Hem niet meer te bewegen tot verhoring. ‘Je moet er maar veel voor bidden', is eigenlijk een heidense uitspraak. Veel gebeden zijn ‘kippengebeden' en geen ‘meeuwengebeden'. De kip slaat driftig met zijn vleugels, maar hij is te zwaar, hij komt niet van de grond. De meeuw spreidt zijn vleugels uit en zweeft al op de wind omhoog. Kippengebeden bevatten veel woorden, veel vragen, maar weinig vertrouwen. Op de vleugels van het vertrouwen stijgt het gebed op; het vertrouwen dat ik dicht bij de Vader mag zijn, dat Hij mij om Jezus' wil verhoort.
Ontzag en vertrouwen
Het Onze Vader is eigenlijk een voorbeeldgebed dat Jezus Zijn discipelen en ons voorhoudt. Het begint met de eer van God en het verlangen naar de komst van Zijn Rijk. Dan pas komen onze behoeften naar voren. Het dagelijks brood, de vergeving van de schuld, de bewaring voor verzoeking. De aanhef is al bijzonder: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt'. Dat betekent twee dingen:
1. Kinderlijke ontzag, dus diep respect en eerbied. In onze samenleving neemt het ontzag voor de vader, voor autoriteit af. Onze tijd is gericht op zelfontplooiing, niet op respect. Maar in ons gebed mag diep ontzag tot uitdrukking komen. We staan voor de Leeuw! Daarom bidden we ook met een eerbiedige houding. Stáán, zitten, knielen, handen samen, of juist de handen geopend op onze knieën.
2. Kinderlijk vertrouwen. Een kind vertrouwt zijn vader. Jezus geeft verderop zelfs het voorbeeld van slechte mensen die toch goed voor hun kinderen zorgen (Matth. 7:11). Als kind krijg je wat goed voor je is, niet alles wat je verlangt. Soms begrijp je later pas waarom je ook wel eens iets níet kreeg. Maar bij de Heere Jezus horen, is grote rijkdom. We hebben door Hem ook de Geest ontvangen (Rom. 8:15). Niet de geest van slavernij, maar de Geest van het kindschap, waardoor je ‘Abba, Vader' gaat roepen.
Hindernissen
Er zijn heel wat hindernissen om God ‘Vader' te noemen.
1. Onzekerheid over ‘staat en stand'. Het evangelie zegt ons: er is geen veroordeling meer als je in Christus Jezus bent. De Heilige Geest wil ons overtuigen van onze ‘staat'. Je bent niet meer van jezelf, maar van een Ander. Hoe je je ook voelt! Je bent niet meer gebonden aan de wet die eist dat je goed bent en je kunt het niet. Je hoort bij Christus. Dat is je ‘staat', je positie. Je ‘stand' is: ervaringen, gevoelens, hoop en vrees. Die zijn ook wel belangrijk, maar het gaat éérst om je positie in Hem.
2. Bewust doorgaan met zonde. Dan komt er een kras op Gods hart. Je wéét wat dat is, als je iemand van wie je veel houdt, erg op het hart hebt getrapt.
3. Vrees. Dat heeft meestal te maken met het beeld dat we van God hebben. Ons beeld van God is niet zuiver. Diep van binnen hebben wij een voorstelling van God die eist en straft. Daarom kunnen we niet tot overgave komen. Als we zelf een slechte relatie met onze vader hebben of hadden, is het nog moeilijker. Zoals iemand mij eens toevertrouwde: ‘Ik heb tabak van het vaderschap van God.' Hij had een heel slechte relatie met zijn eigen vader en ook het geloof en de kerk vaarwel gezegd. In de gemeenschap van de gemeente leren we de vaderlijke - en ook moederlijke! - eigenschappen van God beter kennen, door de onderlinge liefdesband. Als God onze Vader is, dan zijn wij van elkaar broeders en zusters.
4. Beproeving. ‘Ik kan niet meer bidden; ik heb teveel meegemaakt, waardoor ik aan Zijn goedheid ga twijfelen.' Weet God er wel van, waarom grijpt Hij niet in?
Waarom zouden we vasthouden? Omdat Jezus het zegt! Denk je dat God het er bij laat zitten? Echt niet! Omdat Hij zelf nu voor je bidt aan de rechterhand van Zijn Vader (als wij niet meer weten hoe we bidden moeten). Er is nog meer: ook de Geest bidt voor ons (Rom 8:26-27). Dus Jezus en de Geest bidden! Daar kan niets en niemand tegen op.
Schrijver : Ds. N.M. Tramper
Bron : Cruciaal jaargang 3, nummer 6