De vraag boven dit artikel lijkt een beetje op het intrappen van een open (hervormd-gereformeerde) kerkdeur. Biechten - wij? Nee, natuurlijk biechten we niet! Biechten is iets van de rooms-katholieke kerk, al is het dáár ook meer iets van vroeger geworden. Tijdens vakanties in Frankrijk en Spanje heb ik in heel wat prachtige kerken en kathedralen biechthokjes gezien, maar nog nooit rijen mensen die stonden te popelen om de biecht af te leggen. En wanneer ik als kind in zo'n hokje wilde klimmen - al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid - dan zei m'n vader al: ‘Doe normaal!'
Nee, biechten op de roomse manier doen wij niet als nazaten van de Reformatie. Hiermee bedoel ik biechten in de zin van: in een hokje bij meneer pastoor gaan zitten om daar alle zonden op te sommen; om vervolgens met de opdracht een x-aantal ‘wees gegroetjes' en ‘Onze Vaders' uit te spreken, de ‘absolutie' (de verzekering van de pastoor dat onze zonden in Jezus' Naam vergeven zijn) te verkrijgen. Luther en Calvijn hebben zich ook niet voor niets verzet tegen deze manier van biechten. En toch is biechten niet abnormaal, maar zo bijbels als het maar zijn kan. En daarom kan geen reformatorische christen om een ‘ja' heen.
Biechten bij God
Na het lezen van de voorgaande artikelen zul je misschien begrijpen dat ik allereerst doel op het biechten bij God. Het is toch heerlijk te weten dat we al onze fouten en gebreken aan Hem mogen belijden? Natuurlijk (en geestelijk) gaat zoiets niet zonder slag of stoot, de Geest zelf moet er aan te pas komen. Denk maar aan David, die na een lange periode het zwijgen doorbreekt: ‘Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE' (Ps. 32:5). Maar reken maar dat hij zich opgelucht voelde toen hij zich eindelijk uitgesproken had en voelde dat de gebroken relatie hersteld was. Toen hij ontdekte dat Gods genade groter was dan zijn zonden: ‘en Gij vergaf de ongerechtigheid mijner zonde.' Er kwam geen priester of pastoor aan te pas en toch wist hij: ‘Het is weer goed tussen God en mij.' ‘Vrede bij God', noemt Paulus dat in Romeinen 5:1. En die vrede is meer dan een gevoel! Het geloof richt zich immers op de (heils-)feiten .
Biechten bij een ander
In de tweede plaats doel ik op het biechten bij een ander. Jakobus geeft zijn lezers van alle tijden in zijn brief de opdracht: ‘Belijdt elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar, opdat gij gezond wordt.' Uit de context waarin deze woorden staan, blijkt dat die gezondheid vooral op lichamelijke gezondheid slaat. Maar er is niets op tegen om hier ook aan de geestelijke gezondheid te denken. Trouwens, lichamelijke en geestelijke gezondheid gaan vaak samen op. Denk maar weer aan Psalm 32. Toen David zweeg, werd hij er ziek van. Na de biecht gingen vergeving en genezing hand in hand .
Geestelijke gezondheid
Kortom, met het oog op jouw geestelijke gezondheid is het goed het Woord te gehoorzamen: ‘Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar.‘ Eigenlijk zijn we daarmee niet zo heel erg vertrouwd, denk ik . En toch is het bijbels . Lukas schrijft bijvoorbeeld in Handelingen 19:18 dat de nieuwe belijdende leden in Efeze hun zonden opbiechten. Nogmaals, wij zijn dat niet meer zo gewend. Wie echter boeken leest over opwekkingen zal ontdekken dat daar waar de Geest krachtig werkt, mensen (‘vrijwillig') schuldverslagen zonden belijden...
Nou is hierover veel te zeggen, onder andere dat we terdege moeten beseffen dat onbeleden zonden van één lid van de gemeente, gevolgen voor de hele gemeente hebben , maar dat laat ik verder maar even. Het gaat mij er op dit moment om dat iedereen beseft dat wij allemaal de pastorale taak en de verplichting hebben om een medegelovige te helpen om van zonde los te komen . Het behoort dus tot het normale christelijke gemeenteleven dat iemand jou in vertrouwen neemt en zijn of haar zonden opbiecht, net zo goed als jij iemand in vertrouwen kunt nemen om hem of haar deelgenoot te maken van jouw strijd tegen de zonde.
Bidt en vecht
Dat dit zo weinig gebeurt, is eigenlijk zonde. Ik denk ook dat het de hulpverlening heel wat werk zou schelen wanneer we in de kerk de woorden van Jakobus serieus zouden nemen.
In de loop der jaren heb ik in ieder geval heel wat mensen ontmoet die met bepaalde zonden kampten en in die strijd tegen die zonden voor hun gevoel steeds onderop lagen , maar hun kaken stijf op elkaar hielden. Daarmee werden de problemen eigenlijk alleen maar erger...
Misschien herken je het wel: je wilt bepaalde dingen niet doen, maar toch doe je ze, ook al vecht je er nog zo hard tegen. Je belijdt het aan de HEERE, maar een listig slangenstemmetje zegt: ‘Verbeeld je maar niks, 't was niks, 't is niks en het wordt nooit wat met je... Jij een christen...' De zonden benauwen je, je zou het wel voor in de kerk willen uitschreeuwen, maar er is steeds iets dat je tegenhoudt. Is het dan niet goed om iemand in vertrouwen te nemen die met jou bidt en vecht? Sterker nog, zou niet ieder gemeentelid erbij gebaat zijn een biechtvader of -moeder te hebben?
Valkuilen
Daarbij moet er wel gewaakt worden voor een aantal valkuilen, waarvan ik er vijf noem.
De eerste is dat optimale openheid niet hetzelfde is als maximale openheid. Niet iedereen hoeft de zaken en zonden te weten waarmee ik worstel. Dat God ze weet, is genoeg! Als ik aan iedereen in de gemeente al mijn foute gedachten op zou biechten, dan kom ik aan één leven te kort. Daarnaast is het ook niet nuttig, dat wil zeggen: het sticht niet, omdat de meeste mensen er ook niets mee kunnen. Als ik daarbij ook nog alle zaken op zou moeten biechten die ik niet gedaan heb en wel had moeten doen (da's immers ook zonde), dan is het einde helemaal zoek.
De tweede valkuil is dat biechten een geestelijk exhibitionisme zou kunnen worden. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat het opbiechten van seksuele zonden een christelijke variant op erotische verhalen wordt.
De derde valkuil is dat zonden gebagatelliseerd worden: ‘Ah joh, is dat alles?'
Het tegenovergestelde hiervan is valkuil nummer vier. De zonden kunnen zo schokkend zijn, dat men de neiging heeft het contact direct te verbreken. Ik denk bijvoorbeeld aan de man die opbiecht zijn kinderen seksueel misbruikt te hebben. In zo'n geval is het nodig zo'n persoon ervan te overtuigen zich aan te geven bij de politie, maar ook pastoraal te begeleiden. Daarvoor moet je zelf wel sterk in je schoenen staan.
De vijfde valkuil sluit aan op de eerste en heeft te maken met de moeite die mensen hebben om te vergeven. Een vrouw biechtte haar man op dat zij een buitenechtelijke relatie had gehad. In eerste instantie zei hij dat hij haar dat vergaf. Maar telkens als ze daarna ruzie hadden, wierp hij haar de affaire voor de voeten. Zo zat ze nadat ze eerst gevangen zat in de onbeleden zonde, nu vast in de beleden zonde .
En toch...
Bovenstaande voorbeelden maken duidelijk dat het elkaar de zonden belijden nog niet zo eenvoudig is als het lijkt. Ongetwijfeld zie je zelf ook heel wat haken en ogen. Die zie ik ook. Maar tegelijkertijd weet ik ook dat de Geest zich niet vergiste toen Hij Jakobus het bevel gaf: ‘Schrijf op: ‘Belijdt elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar.'' Zullen we dan maar?
Schrijver: Gertjan Glismeijer
Bron: Cruciaal jaargang 3, nummer 3