| mail dit artikel | print deze pagina | |
Opeens slaat Ivon linksaf. Ze wil nu niet voorbij haar kantoor lopen. Ze gaat iets doen wat ze al jaren niet meer heeft gedaan. In een kiosk koopt ze een pakje sigaretten en een aansteker. Ze betaalt met een vijftig euro en het wisselgeld stopt ze in haar jaszakje. Heel zenuwachtig steekt ze iets verderop een sigaret op. Daarna gooit ze, alsof ze zich betrapt voelt, het nog bijna volle pakje en de aansteker weg in de dichtstbijzijnde afvalbak... Ze rookt met korte, vlugge trekjes. Wanneer de sigaret op is, neemt ze snel een kauwgompje en loopt ze weer verder op de route naar het vernieuwde pand. Heerlijk, even niet langs het kantoor gelopen.
In de bloemenzaak begrijpen ze haar niet direct. ‘Een boeket van stokjes? Gewoon een stuk bamboe en wat takjes? Meer niet?' Onwennig en weifelend pakt de bloemist wat ze aanwijst. Het inpakken duurt lang. Heel lang. Creatieve verpakkingen kosten ontzettend veel tijd. Ivon kijkt naar de bloemen. Al die kleuren doen pijn aan haar ogen. In een emmer ziet ze een boeket rozen staan. Ook rozen doen pijn aan haar ogen. Van zoveel rood krijgt ze bijna tranen in haar ogen. Ze kijkt nog wat beter. Ze ziet het weer. Ze ziet hoe Vader dit boeket aan Juul overhandigt. Omdat ze jarig is. Ivon laat haar schoudertas zakken om het prijskaartje te kunnen lezen...
‘Mevrouw, dit is het geworden. Ik hoop dat het design genoeg is.' Uit haar jaszakje pakt Ivon het wisselgeld van de vijftig euro. Ze ziet opeens dat het al laat is geworden. ‘Laat het wisselgeld maar zitten', en snel loopt ze de winkel uit.
Juul kan haar geluk niet op. Ze mag vanavond haar het feest. Het feest van Vader. Hij heeft haar persoonlijk uitgenodigd. Ze weet al wat ze hem zal geven. Een boeket rode rozen. Ooit gaf hij haar ook zo'n boeket.
‘Juul, je kunt de hele middag in mijn kantoor terecht, hoor. Ik heb vanmiddag een receptie. Ik ga er nu vandoor.' ‘O, meneer, o, ja is goed, maar... uhh... weet u waar Ivon is?' ‘Ivon is er niet, Juul. En ze komt vandaag helemaal niet meer op kantoor. Sorry, maar ik moet nu echt gaan.'
Op het moment waarop Ivon ontdekt dat ze haar schoudertas in de bloemenzaak heeft laten staan, kraakt het en gaat ze door het flinterdunne ijs. De minachtende blik van Melvin op het boeket, zijn schreeuwend verwijt waarom ze vijf minuten geleden niet had teruggebeld, het groeiende besef dat ze haar schoudertas is kwijtgeraakt... dit alles maakte dat Ivon bezig was met iets wat op instorten leek. Zonder zichzelf loopt ze naar de bevriende zakenrelatie. Ze denkt: ‘Ik loop niet meer mooi. Ik loop niet als een visitekaartje. Dit lopen lijkt vast niet op het lopen zoals in een clip.' Zo vlug mogelijk ontsnapt ze aan het gezelschap en vlucht naar buiten. Met korte trippelpasjes rent ze terug naar de bloemenzaak.
Helaas. In de bloemenzaak heeft niemand een vergeten designschoudertas zien staan.
Ivon dwaalt verdwaasd door het centrum zonder de kern te bereiken. Ze is zichzelf en de weg volledig kwijt. Zonder vaste grond onder haar voeten loopt ze in willekeurige rondjes doelloos rond in het centrum. Ze voelt dat ze toch wat moet doen, nu ze haar tas is kwijtgeraakt. Een prioriteit stellen. Dat is wat ze nog kan bedenken. Eerst is het politiebureau prioriteit, dan de telefoonwinkel, vervolgens de bank of het kantoor. Denkt ze aan haar portemonnee, dan wil ze naar de bank. Denkt ze aan haar iPhone, slaat ze een weg in richting een telefoonwinkel. Dan besluit ze om aangifte te doen en zoekt ze een politiebureau, waarna ze de telefoonwinkel toch net iets belangrijker vindt. Of eigenlijk toch weer niet, om tenslotte bij een bank terecht te komen die op dat moment net sluit.
Ivon is verdwaald in een wereld die ze niet kent. Bang, koud en zonder enig richtinggevoel slingert ze door de stad. Alle deuren blijken gesloten, zelfs die van haar eigen huis. Dan valt Ivon...
Daar ligt ze... op de nog natte, net gedweilde vloer, vlak voor de receptie van het kantoor. Ze mist de kracht om zelf op te staan. De neuriënde Juul schrikt zich een ongeluk. ‘Een moord, een dode', flitst er het eerst door haar heen. Dan ziet ze, dat het Ivon is. Ivon, die ze de hele dag heeft gezocht. Het valt gelukkig mee. Maar wat bibbert Ivon toch. Trillend en klappertandend kan ze geen verstaanbaar woord uitbrengen. Hoe aandachtig en liefdevol Juul ook luistert en troost, Ivon valt nauwelijks te kalmeren. Juul begrijpt er niets van.
Uiteindelijk krijgt ze Ivon toch weer op de benen en zet haar in een stoel tegen de nog warme radiator. Buiten is het intussen donker geworden. Terug van de automaat met een bekertje warme koffie in haar hand, ziet ze dat Ivon met haar vinger een vierletterwoord op de beslagen ruit schrijft. Met aandacht volgt Juul de roodgelakte nagel. Er glijdt een koude rilling over haar rug. ‘Nee, Ivon, echt niet. Zo ben je niet. Dat moet je niet zeggen. Dat zeg je alleen van een emmer. Leeg. Leeg, nee... leeg is niet het goede woord.' Met de spons, die ze zojuist nog op Ivons voorhoofd had gedrukt, veegde ze het woord weg.
Dan schrijft ook Juul een woord op de beslagen ruit. Het tegenovergestelde van wat ze heeft weggeveegd. Ze schrijft er ook nog wat voor. ‘Ivon, dat is wat iedereen en jij dus ook bent: waardevol.' Terwijl Ivon een heel klein beetje tot rust komt, durft Juul het haar te vragen. De stilte die dan volgt, lijkt ellenlang te duren. Op de balie ziet Ivon een boeket liggen. Een boeket rode rozen. Het boeket dat Juul voor Vader heeft gekocht. De bloemen en het rood overweldigen haar. Maar dan antwoordt ze: ‘Ja... ja, Juul. Ik ga met je mee... Ik ga weer naar Vader!'
---
Daar zaten ze dan, naast elkaar op de achterbank. Tussen hen in lag de bos rode rozen. Juul had de taxi met een brede zwaaibeweging tot stilstand gebracht en de chauffeur de bestemming van de reis uitgelegd. Ze kon het niet bevatten. Het wonder was voor haar te groot. Ivon ging met haar mee naar Vader! Op haar schoot lag een vaal geworden canvas boodschappentas, die ze met beide handen omklemde. Ivon had niets in handen. Gevouwen legde ze die nu maar achter haar rechterknie.
Ivon keek telkens in de achteruitkijkspiegel. Af en toe kruiste haar blik die van de chauffeur. Ze zag dat ze er niet goed uitzag. Geen visitekaartje meer. Ze was gevallen. Uit haar rol. Ze had het Juul verteld. Ze had Juul veel verteld. Hoe ze haar eigen leven had geleid. Hoe ze haar leegte had gecamoufleerd, haar verlangens verdoofd en hoe ze de liefde van Vader had willen ontwijken, verdringen, smoren en doodzwijgen. Hoe ze uiteindelijk de verbinding met Hem voorgoed had willen verbreken. Hoe ze... Ivon had Juul alles verteld. Ook hoe Juul de herinnering aan Vader tot leven had geroepen. Dat ze daar niet op voorbereid was geweest. Dat ze niet had gerekend op een niet te voorspellen Juul. Over haar heimelijke jaloezie had ze verteld. Omdat Juul wél een visitekaartje was. Een visitekaartje van Vader en zij alleen maar van design. Maar dat zelfs nu ook niet meer...
Ze keek nog een keer in de achteruitkijkspiegel. Het zag er werkelijk niet meer uit...
Ivon voelde hoe de warme hand van Juul haar koude hand vastgreep. Hun beide handen lagen nu boven op de rode rozen. Van de achteruitkijkspiegel keek Ivon nu in de ogen van Juul. Juul huilde. ‘Niet meer achteruit kijken', fluisterde ze. ‘Dan zie je zoveel vuil. We gaan naar Vader. Alles zal weer schoon en nieuw worden. Want, Ivon, als het van binnen niet schoon is, zul je niet groeien.'
Toen Ivon nog wat langer naar Juul keek, moest ze opeens lachen. Steeds harder. Ze hield gewoon niet meer op. Ze schudde en snotterde van het lachen. ‘Juul, de rode zakdoek zit nog over je kapsel heen geknoopt. En we zijn op weg naar het feest van Vader...' Toen moest Juul ook lachen. Door haar tranen heen. ‘Maar Ivon, als ik jouw gezicht zie, dan zie ik een regenboog. Alle kleuren van je make-up zijn door elkaar heen gelopen. En zo ga jij naar Vader? Wat zal Hij er een feest aan beleven ons zo te ontmoeten. Want Vader houdt van ons zoals we zijn en zijn grote liefde is er voor iedereen..." En toen opende Juul met een ritsgeluid het ene grote vak van haar boodschappentas. Alsof ze het wilde bewijzen. Uit het vak haalde ze een witte envelop. Toen ze die vervolgens open had gescheurd, zag Ivon het biljet van vijftig euro opnieuw. Nu in de handen van Juul. ‘Weet je, Ivon, Vader betaalt deze reis. Zo wilde Hij het. Dat kun je toch haast niet geloven?'
Uitleg van deze gelijkenis
Ivon staat in deze gelijkenis voor iemand die het geluk verwacht van succes en uiterlijk vertoon. Zij belichaamt de existentiële leegte. Juul daarentegen, is het voorbeeld van een wegwijzer naar God. Ze heeft oog en hart voor Zijn Koninkrijk: oog voor het kwetsbare, kunnen delen, ontvankelijk zijn, liefde voor naaste, transparant zijn en leven met hoofdletter L. Vader is God, de Vader. In zijn liefde mag iedereen delen. Hij die van binnen schoon maakt, zuivert, een nieuw begin maakt en uitnodigt voor het grote feest dat aanstaande is. Hij geeft gratis, uit genade! Hij verbreekt nooit de verbinding. Hij blijft nodigen en zonder voorwaarden is iedereen welkom bij Hem.