| mail dit artikel | print deze pagina | |
Ben ik een man? Heb ik blond haar? Ben ik bekend? Dit zijn meestal de eerste vragen die gesteld worden bij het spelletje ‘Wie ben ik?’. En met de vraag ‘wie ben ik?’ hebben we misschien wel de beste typering van tieners.Verwachtingen van tieners
Hoe zie ik eruit? Wat vinden ze van mij? Wat kan ik goed? Ben ik populair? Allemaal vragen die zo weglopen uit het denken van tieners. Vragen die laten zien dat tieners op zoek zijn naar hun eigenheid. Welke rol spelen opvoeders in deze identiteitsvorming? Hoe kunnen wij tieners helpen bij het beantwoorden van die prangende vraag ‘wie ben ik?'
Als het gaat om wie tieners zijn of worden, hebben we als opvoeders onze eigen gedachten en verlangens: ‘Ik hoop dat mijn zoon gelukkig wordt’, ‘Ik zou het fijn vinden als mijn dochter bij de kerk blijft’, ‘Ik wil echt graag dat mijn kind een goede baan vindt’. Onze verwachtingen van de toekomst van onze kinderen bepalen onze opvoedingsdoelen en hoe we hun identiteit vormen.
Maar hoe vindt een tiener tegenwoordig nu werkelijk zijn identiteit? Daar zijn verschillende visies op:
1- Een tiener wordt wie zijn ouders zijn
De identiteit van de tieners wordt bepaald door wie de ouders zijn. Ben je hervormd geboren, dan ga je naar de protestantse kerk. De opvoeding is puur gericht op het overnemen van de waarden en normen van de ouders. De beleving van het geloof én de antwoorden op allerlei geloofsvragen worden meestal bepaald door de opvoeders. Als wij eerlijk zijn is dat inderdaad precies wat wij willen: dat tieners in onze voetsporen treden.
De vraag is alleen of deze opvoedingsstijl recht doet aan de tiener zelf. Want de leefwereld van tieners is een heel andere dan de verzuilde samenleving waarin hun ouders groot zijn geworden. Door deze grote tegenstelling leven tieners als het ware in twee werelden, waarbij de kerk (en ook geloof) hoort bij de wereld van de ouders, maar niet bij hun eigen wereld en identiteit.
2 – Een tiener wordt wie zijn vrienden zijn
Omdat de leefwereld van tieners zo veranderd is en ze vaak niet met de antwoorden van hun ouders uit de voeten kunnen, zoeken ze naar andere input voor het ontwikkelen van een identiteit. De familie- en kerkverbanden die als te ouderwets en autoritair worden ervaren, worden vervangen door met name de invloed van hun vriendengroep: tieners uit hun eigen leefwereld voor wie ze respect hebben. Tieners die trendsetters zijn en ‘goed in de groep liggen’ zijn bepalend voor hun identiteit. Niet alleen in kleding, schoenen, muziek en sporten, maar ook in moraal, geloof en levenskeuzes wordt er gekeken naar de peergroup.
Maar omdat deze identiteitsvormers allemaal in dezelfde leeftijdsfase zitten, is de ontwikkeling van identiteit erg beperkt. Als het blikveld van tieners niet verder reikt dan deze beperkte subcultuur, is het leren van andere generaties met hun levenswijsheid echt een probleem.
3 – Een tiener wordt wat hij zelf voelt
De afgelopen tientallen jaren hebben tieners niet anders gehoord dan: je moet zelf verantwoordelijk zijn, je eigen leertraject samenstellen, je eigen geld beheren. De boodschap was helder: je kunt je eigen biografie schrijven.
Maar … hoe moet een tiener dat dan doen? Welke pijler heeft hij om zelf vorm te geven aan zijn identiteit? Het is niet verwonderlijk dat dan met name het gevoel bepalend wordt. Dat wat goed voelt, is ook goed en geeft richting aan je leven.
Dat tieners hierdoor heen en weer geslingerd worden door hun emoties lijkt voor hen geen bezwaar, omdat ze zich als een kameleon kunnen aanpassen aan verschillende situaties. Ze zijn experts in het surfen of zappen door al die emoties en verschillende waarden en gedragingen. Maar toch komt telkens de vraag weer terug: wie ben je dan in de kern van je bestaan? Je bent toch méér dan een emotionele jojo?
4 – Een tiener wordt wie hij is in Christus
Als de ouders, de vrienden en zelfs het eigen gevoel niet de goede antwoorden geven op de vraag ‘Wie ben ik?’, moet er gezocht worden naar iets anders. Wat kan dan het fundament voor je identiteit zijn?
Daarvoor moet een tiener terug naar het begin van zijn leven. Naar dat moment voor in de kerk, op de armen van zijn ouders. Toen sprak God hem aan als Zijn kind. Met de verzekering dat ‘gedoopt in de naam van de Vader’ betekent dat Hij ‘ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt’. En hiermee is een machtig fundament gelegd voor de identiteit van een tiener. Een fundament waarop tieners mogen groeien en waarop hun opvoeders kunnen bouwen.
11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus. 12 Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi, stro,13 ieders werk zal aan het licht komen. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat deze in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven.
In de eerste verzen van 1 Korinthe 3 staat dat Paulus de gemeente vermaant. Er zijn namelijk discussies over identiteit. De een zegt: ‘Ik ben van Paulus’ en een ander roept: ‘Ik ben van Apollos’. Wie is nu het meest bepalend geweest voor de vorming en geloofsgroei van de Korinthiërs? Maar Paulus veegt de hele discussie aan de kant door onderscheid te maken tussen fundament en bouwwerk.
Hiervan valt veel te leren voor de identiteitsvorming van tieners. Er kan ook voor hen geen ander fundament gelegd worden dan Jezus Christus. Hij is de grond van hun bestaan en de basis voor hun identiteit! Niet wij als opvoeders, niet de vriendengroep en zeker niet het eigen gevoel zijn het fundament. Het startpunt voor identiteitsvorming ligt in het feit dat tieners mogen ‘worden wie ze zijn in Christus’.
Daarmee is niet alles gezegd. Ouders, vrienden en de eigen persoonlijkheid zijn niet overbodig, maar moeten wel de juiste plaats krijgen. Want op het fundament van Christus mag gebouwd worden. En dan komt het er echt wel op aan hoe er gebouwd wordt. Zo mogen opvoeders aan de slag, bouwend op het fundament dat er al ligt. Ik hoop dat we gaan bouwen met goud, zilver en edelstenen!
Om een antwoord te vinden op de vraag ‘wie ben ik?’ stellen tieners allemaal vragen aan hun ouders. Vragen die meestal gaan over wel of niet, goed of fout, doen of laten. En dan komt het erop aan vanuit welke visie wij antwoord geven.
‘Mam, mag ik nou naar dat schoolfeest?’
Voor het antwoord op deze vraag neem je als opvoeder niet je eigen ervaringen als uitgangspunt. Ook gebruik je de vrienden niet als argument en zeker stel je niet de behoefte en emotie van jouw kind centraal. Je laat merken dat je betrokken bent op de dingen die daar gebeuren en je vraagt of deze activiteit past bij zijn of haar identiteit. Hiermee geef je je tiener een moreel kader en benadruk je zijn christen-zijn.
'Mag ik nog even achter MSN?'
Een veelbesproken thema in de gesprekken tussen opvoeders en tieners is internet, MSN, Hyves en het gebruik hiervan. Natuurlijk kun je vanuit je eigen ervaring reageren: ‘Ik heb er niets mee maar ik kan het toch niet tegenhouden’. Maar hiermee ontstaat er wel negatieve lading bij een iets wat een grote rol speelt in de leefwereld van je tiener. Een vergelijking trekken met de vrienden kan betekenen dat je wegloopt voor je verantwoordelijkheid als ouders. Het ruimte geven aan ‘de zin’ of behoefte kan óók voortkomen uit een gebrek aan betrokkenheid. Met de laatste reactie laat je zien dat grenzen nodig zijn en dat je MSN ook positief kunt inzetten door een vriendin te bemoedigen.
Door: Wout Schonewille.
Eerder gepubliceerd in: Dichtbij - voor christenen met hart voor jongeren. Nummer 17.3, maart 2009.
Overname van (delen van) dit artikel is toegestaan, mits met bronvermelding.